Inleiding

Nieuwe argumenten voor herstructureringen met betrekking tot vastgoed

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 4 juni 2016 in de zaak Nova Iberomoldes (C-837/24) geoordeeld dat Portugal geen IMT (vergelijkbaar met de Oostenrijkse onroerendgoedbelasting) mocht heffen op de inbreng in natura van aandelen in een vastgoedvennootschap. Dit arrest is bijzonder relevant voor Oostenrijkse ondernemingen, omdat de Portugese wettelijke situatie op cruciale punten vergelijkbaar is met de Oostenrijkse.

Hiermee komt een vraag sterker op de voorgrond die in de praktijk van groot belang is: is de Oostenrijkse overdrachtsbelasting bij bepaalde interne concernherstructureringen in strijd met Vastgoedreferentie juridisch houdbaar?

De casus in vogelvlucht

In de onderhavige zaak werd in Portugal een houdstermaatschappij opgericht. Het kapitaal van deze vennootschap werd gevormd door inbreng in natura. Daarbij werden onder meer meerderheidsbelangen in meerdere kapitaalvennootschappen ingebracht. Eén van deze vennootschappen hield twee onroerende goederen in Portugal aan.

Volgens de Portugese wetgeving kan de verwerving van aandelen in een vennootschap die onroerend goed bezit, voor de overdrachtsbelasting al worden behandeld als een rechtstreekse aankoop van onroerend goed, indien een vennoot daardoor ten minste 75 % van de aandelen in bezit heeft. Hoewel de onroerende goederen zelf niet zijn overgedragen, heeft de Portugese belastingdienst overdrachtsbelasting opgelegd.

Waarom het HvJ de overdrachtsbelasting heeft afgewezen

Het HvJ kwalificeerde de handeling als een herstructurering binnen de werkingssfeer van de Richtlijn kapitaalverzameling, dat wil zeggen Richtlijn 2008/7/EG betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal. Deze richtlijn beoogt te voorkomen dat de kapitaalvorming binnen de Europese Unie door indirecte belastingen wordt bemoeilijkt. Centraal in de beslissing stonden daarbij met name artikel 4 en artikel 5 van Richtlijn 2008/7/EG.

Volgens het HvJ-EU was er sprake van een door de Richtlijn beschermde herstructurering, die in beginsel niet belast mocht worden met een indirecte belasting. Ook de uitzonderingen van de Richtlijn waren in dit specifieke geval niet van toepassing. Daarbij was met name relevant dat weliswaar aandelen in een vennootschap werden ingebracht, maar de onroerende zaken juridisch bij dezelfde vennootschap bleven. Er vond dus geen eigendomsoverdracht van de percelen zelf plaats. Evenmin kon de belastingheffing alleen worden gerechtvaardigd met een beroep op het voorkomen van belastingontduiking of -fraude.

Welke betekenis het oordeel voor Oostenrijk kan hebben

Ook in Oostenrijk kan overdrachtsbelasting niet alleen verschuldigd zijn bij de directe verwerving van een onroerend goed, maar onder bepaalde voorwaarden ook bij maatschappelijke en juridische wijzigingen in aandelen van onroerendgoedbezittende vennootschappen. Hierbij zijn met name de bepalingen van § 1 lid 3 GrEStG (Wet op de overdrachtsbelasting) bepalend. Juist bij herstructureringen binnen een concern leidt dit in de praktijk steeds weer tot lasten, hoewel de onroerende goederen economisch gezien binnen de ondernemingsgroep blijven.

Juist op dit punt is de uitspraak van het HvJEU voor Oostenrijk bijzonder interessant. Als een transactie onder de Kapitalaccumulatierichtlijn valt, kan een belastingheffing volgens de Oostenrijkse regels twijfelachtig zijn vanuit het EU-recht.

Conform de aanwezige deskundige inbreng betreft dit in het bijzonder herstructureringen van aandelen in op vastgoed gerichte vennootschappen, bijv.:

  • Inbreng van aandelen in andere vennootschappen
  • koncerninterne downstream- en sidestreamstructuren
  • Splits van aandelen

Veel spreekt er bovendien voor dat deze beoordeling niet noodzakelijkerwijs afhankelijk dient te zijn van de vraag of de transactie met of zonder kapitaalverhoging plaatsvindt of van de aanwezigheid van directe of indirecte deelnemingsstructuren. Beslissend is echter steeds of de concrete transactie onder de beschermingsomvang van de richtlijn inzake kapitaalaccumulatie valt.

Wat bedrijven nu moeten controleren met betrekking tot de overdrachtsbelasting

Voor Oostenrijkse bedrijven bestaat er daarmee een dringende behoefte aan onderzoek. Dit geldt zowel voor reeds geïmplementeerde structuren als voor geplande reorganisaties.

Bij reeds voltooide transacties Allereerst dient te worden getoetst of de desbetreffende feiten binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn inzake kapitaalverzameling vallen. Indien de overdrachtsbelasting reeds bij beschikking is vastgesteld, kan worden beoordeeld of rechtsmiddelen in aanmerking komen.

Werd de belasting zelf berekend en afgedragen, Binnen een jaar kan een verzoek tot materiële vaststelling krachtens § 201 BAO worden ingediend. Hierdoor kan de rechtsgang opengehouden worden. Vervolgens kan, indien nodig, bezwaar worden aangetekend tegen de vaststelling.

Ook voor toekomstige herstructureringen Voordat een afwikkeling plaatsvindt, is een zorgvuldige fiscale toetsing aan te bevelen. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het zinvol zijn om niet te snel tot een eigen berekening over te gaan, maar de Unierechtelijke vraagstelling te deponeren bij de Belastingdienst. In de vakliteratuur wordt in dit verband ook een aangifte bij de Belastingdienst met passende openbaarmaking als mogelijke werkwijze genoemd.

Conclusie: Uitspraak HvJ-EU met mogelijke signaalfunctie voor Oostenrijk

Het oordeel zorgt voor nieuwe beweging in een fiscaal gevoelig gebied dat zeer relevant is voor concernvennootschappen, houdsterstructuren en herstructureringen van vennootschappen in Oostenrijk. Of en in welke mate hieruit wijzigingen voor de Oostenrijkse belastingpraktijk voortvloeien, moet nog blijken.

Al nu blijkt echter: wie herstructureringen plant of recentelijk heeft uitgevoerd met vennootschappen die onroerend goed bezitten, dient de gevolgen met betrekking tot de overdrachtsbelasting opnieuw te evalueren. Wij ondersteunen u graag bij het plaatsen van de impact in uw specifieke geval en het zorgvuldig voorbereiden van de volgende stappen.

Gemaakt: 15-07-2026
Bron: Publicatiebureau van de Europese Unie
Foto: Pavel Daniljoek